In een vlaag van begeerte wilden monniken, priesters en nonnen zich ook weleens overgeven aan vleselijke activiteiten.

Monniken en nonnen hadden een gelofte van kuisheid afgelegd, maar verboden lusten vormden gedurende de hele middeleeuwen een probleem voor de kerk en werd ternauwernood door de vingers gezien.

Priesters deden het met vrouwelijke parochianen of collega’s, of vergrepen zich aan jongens. Nonnen deden het met nonnen – of als non vermomde monniken met een verdachte bobbel in hun habijt.

Vrijwel elke priester beschikte over een inwonende maîtresse die zogenaamd alleen als zijn huishoudster optrad.

Bij het overlijden van de dienstmeid stelde de parochie meteen een vervanger aan, ter bescherming van de eigen vrouwen en kinderen in de buurt.