Prostitutie was op veel plaatsen in Europa een wettige onderneming en betaald door de stad.

De naakte vrouw met de dobbelsteen op het hoofd wordt door de kaars en de kruik in haar hand als hoer gekenmerkt.

De kerk beschouwde betaalseks weliswaar als een zonde, maar er was een gedoogbeleid.

Want in het bordeel kon een man zijn seksuele energie kwijt, waardoor ergere zonden als masturbatie en homoseksualiteit voorkomen werden.

Veel bordelen werden gerund door het stadsbestuur en waren een belangrijke bron van stedelijke inkomsten.

Prostituees moesten een rode muts dragen als herkenningsteken, officieuze prostitutie die geen geld in het laatje bracht werd verbannen.

De hoeren mochten het hele jaar werken, behalve op de feestdagen en in de paasweek.

Bordelen moesten de vrouwen onderdak en opvang garanderen, en de prostituees moesten elke week in bad.